Vraag:
Wilt u iets zeggen over het troosten? Te vaak ervaart men met de wil ook de onmacht daartoe.
Antwoord:
Troosten betekent voor vele mensen voornamelijk een zeggen dat het toch zo erg niet is. Dat kun je gemakkelijk zeggen, wanneer je er zelf geen deel aan hebt.
Troosten is eerder: de ander doen voelen dat - hoe de toestand ook moge zijn - er iemand is die bereid is daaraan iets te doen, wanneer dit mogelijk is.
Troosten is voornamelijk aanwezigheid, zeker niet een reeks van zalvende woorden zonder meer.
Om het eenvoudig te stellen: Wanneer je juist een kind, echtgenoot of echtgenote verloren hebt en iemand komt om je te troosten, wijzende op de hemel, waar zij nu toch wel zullen zijn, zo denk je: Goed, maar ik ben verlaten. Of: maar ik lig nu alleen in bed. Men aanvaardt de woorden wel, maar met je werkelijke probleem heeft zoiets maar zijdelings te maken. Kun je een mens in dergelijke omstandigheden echter doen voelen dat hij of zij niet alleen staat, ofschoon hij zijn leed zelf zal moeten verwerken, zo is dit een werkelijke troost.
Troosten is volgens mij: een mens laten weten, dat hij niet geheel alleen staat, terwijl zijn problemen, die hij zelf niet aan kan, ook door een ander worden beseft, iemand die zo mogelijk zal proberen dezen met hem op te lossen. Meer is niet nodig.
De beste troost, die je een mens vaak kunt geven, is ook vaak: hem laten vertellen hoe hij zich voelt, wat hem dwars zit. Want dan komt het naar buiten en vindt zo iemand weer de vrijheid om ook aan andere zaken te denken.
Uit de lezing: 'Vragen-avond' 5 april 1974
'Stem van Gene Zijde (III)' 1973-1974

