ster

Vereniging Orde der Verdraagzamen

een esoterisch – magische bibliotheek

Vraag van de maand

Vraag: 

Staan wij met de moderne medische wetenschap en de cultuur niet wat onnatuurlijk tegenover ziekten en vooral tegenover de dood, die toch veelal beschouwd wordt als een soort boeman. Wanneer wij ziek zijn of vrezen te sterven, komen wij meteen heftig in opstand. Wanneer wij zouden aanvaarden, zouden wij waarschijnlijk veel sneller over het kritieke punt heen zijn ...

Antwoord:

U snijdt hiermede wel een probleem aan, dat typisch van deze dagen is. Hoe meer een mens denkt te weten, hoe minder hij vertrouwt. Dat zal u wel bekend zijn. Hij vertrouwt dan naar buiten toe alleen op zichzelf, maar weet innerlijk wel van zichzelf, dat hij niet te vertrouwen is. Het gevolg hiervan zal zijn, dat men alles, wat niet een onmiddellijk feit - voltooid - of een algehele zekerheid is, verafschuwt en verwerpt. 

Het zoeken van genezing is voor de mens altijd een normale reactie geweest; een mens wilde nooit graag sterven, zolang het leven nog enige waarde voor hem had. Of hij nu in het stenen tijdperk, een grote geest en voorouders aanriep of, zoals bv. rond het begin der jaartelling, de tempelslaap en een beroerd worden door een heilige slang als geneeswijze beschouwde, dan wel in deze dagen van de psychiater naar de specialist loopt, de reactie is en blijft hetzelfde. Daarom lijkt het mij goed bij een beantwoorden van uw vraag een onderscheid te maken tussen de reactie van de enkeling op ziekte en dood - die vele vormen aan kan nemen - en de meer algemene en openlijk beleden reactie daarop.

Vroeger besefte men in de gemeenschap, dat het levende een bepaalde weerstand moet bezitten, om het leven levenswaard te vinden en het leven waardig te zijn. Men stelde daarom dat de zwakke het natuurlijk slachtoffer was en werd van eigen zwakheden. Zou men met alle middelen trachten deze zwakheden te compenseren, zo redeneerde men, dan zou het leven voor zo iemand niet meer waard worden, maar wel zou de weerstand, het vermogen tot leven en levensvreugde van anderen daaronder veel te lijden hebben. 

Om een voorbeeld van deze denkwijze te geven: in de geneeswijze van de Druïden gold, wie niet volwaardig is - of niet meer is - mag wel blijven leven, maar hij heeft geen recht op de zorgen, die men besteedt aan iemand, die weer een goed krijger kan worden, die een groot bard is of iets dergelijks. Pas indien alles, wat voor de gemeenschap waardevol was, alle mogelijke zorgen had ontvangen, gaf men, zover mogelijk, ook enige aandacht aan de anderen.

In deze dagen is die nadruk sterk verschoven. Men heeft de eigen angst voor onvolwaardigheid tot een drijfveer gemaakt, waardoor men vóór alles het minderwaardige beschermt en in stand tracht te houden. Nu geldt in wezen: hoe zwakker men is, hoe meer zorg men behoeft, hoe meer aandacht men krijgt. In de landbouw zou een dergelijke opvatting betekenen: hoe meer ziekte er in een ras aardappelen zit, hoe meer men juist dit ras moet blijven kweken en hoe meer zorg men aan juist deze teelt zal moeten besteden. Daar vindt men zoiets onzin en laat het ras eenvoudig vergaan, Bij mensen zal men helaas wel juist de aandacht op het zwakkere en minder normale richten, vaak ten koste van het normale, dat toch voor deze gemeenschap meer waarde bezit. Hierdoor is langzaamaan een cultus van gezondheidszorg ontstaan, die in wezen niet het scheppen van kracht en weerstand ten doel heeft, maar tracht te komen tot een aanpassing van milieu en levensomstandigheden, zodat alles, zelfs het zwakste, levensmogelijkheden zal hebben. 

Daarmede heeft men voor het menselijke ras bepaalde natuurwetten ongedaan gemaakt, die door selectie het menselijke ras op peil hielden. Ofschoon ik persoonlijk van mening ben, dat een ieder recht heeft op alle mogelijke bijstand, meen ik toch, dat een medicus in de eerste plaats zijn zorgen en aandacht zal moeten besteden aan degene, die voor de gemeenschap door bekwaamheid, kracht of eigenschappen werkelijk waardevol is en pas, wanneer hij daaraan alle zorgen heeft besteedt, aan onvolwaardigen zijn krachten mag gaan wijden. Dit is een stelling, waarmede men het waarschijnlijk niet eens is.

Wanneer men tegen deze nuchtere beschouwing protesteert, die, let wel, betrekking heeft op de algemeen geldende mentaliteit en de daaruit voortkomende gedragingen, vergeet men echter één feit: juist door een exces van zorg voor het minderwaardige dwingt de mensheid zichzelf steeds verder van de natuurlijke levensomstandigheden af te wijken en een steeds meer kunstmatig milieu te scheppen, waarbij het bestaan van de mens op de duur geheel afhankelijk wordt van het ter beschikking zijn van zijn hulpmiddelen. De zorg voor lichamelijk of moreel minder validen zal met elke nieuwe generatie groeien en meer mensen gaan omvatten. Hierdoor bevordert men in wezen de slechte eigenschappen van het huidige ras in plaats van de natuurlijk goede. Er zal een ogenblik kunnen komen, dat de negatieve levenseigenschappen van de mensen zozeer gaan overheersen, dat het geheel van de mensheid daaraan ten onder zou kunnen gaan.

Ik stel dus niet, dat men zich ten koste van alles aan de zorg voor minder validen zal moeten onttrekken, maar stel wel, dat deze verkeerd gelegde nadruk, het denkbeeld, dat de zwakste de grootste rechten heeft, zal voeren tot een voorkeur voor een zich zwak tonen bij hen, die meer hadden kunnen worden, omdat deze zwakte voor hen geborgenheid en vrijdom van aansprakelijkheid in gaat houden. Wat impliceert, dat een afwijzen der werkelijke eisen en waarden van het leven en daarmede ook een vermindering van de stoffelijke mogelijkheden tot bewustwording, steeds verder toe zal nemen. Wat voor de geest weer betekent, dat een incarnatie als mens voor de geest steeds minder mogelijkheden en baten met zich zal gaan brengen. Ik hoop, dat u mij dit standpunt niet kwalijk neemt. Ik gun u zeker uw eigen opvattingen, maar hoop, dat u toch ook mijn argumenten eens ernstig wilt overwegen.

Tot slot van deze avond wil ik nog opmerken, dat de mens er vaak in denkt te slagen ziekten uit te roeien, terwijl hij in wezen de ziekten alleen maar verplaatst. Men heeft tbc uitgeroeid en een even epidemisch optreden van kanker daarvoor teruggekregen enz. Wij kunnen de mens nooit werkelijk bevrijden van kwalen en ziekte. Dat kan hijzelf alleen, door werkelijk en gedurende meerdere generaties voor zich en uit eigen overtuiging te streven naar een gezond geestesleven in een gezond lichaam. 

Laat de geest, de ziel, gezond worden, en de lichamen die op de wereld komen, zullen steeds gezonder worden. Eerst wanneer een gezonde ziel kan wonen in een werkelijk gezond lichaam, zullen wij een mens aantreffen, die zijn ziekten zelf geneest, de dood niet meer vreest als een schrikbeeld, maar beiden aanvaardt en vanuit zich bestrijdt als een natuurlijk deel van het bestaan. Dan zal men leven zonder angsten en verwachtingen, zoals nu, maar met een begrip voor eigen niet eindige waarden. 

Ik hoop u aan het denken te hebben gebracht en u toch niet te erg geschokt te hebben. Zoek in uzelf de kracht van een innerlijk weten of vertrouwen en gebruik de middelen, die u ten dienste staan en zelfs gij zult genezen en anderen de mogelijkheid tot genezing schenken. Want het is de psyche, van waaruit alle genezingsprocessen eerst waarlijk mogelijk worden.

Uit de lezing: 15 oktober 1965 - 'Stem van Gene Zijde' - 'Genezing'